ABP houdt verontruste burgers voor de gek

Het ABP belegt in Israëlische banken die betrokken zijn bij schendingen van de mensenrechten. Verontruste burgers die om opheldering vragen worden afgescheept met misleidende informatie.

Schermafbeelding van het ‘Verslag Duurzaam en verantwoord beleggen 2016’ van het ABP. Op pagina 32 beschrijft het fonds zijn beleid ten aanzien van de mensenrechten.

Naar aanleiding van een recent artikel van The Rights Forum over de omstreden beleggingen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) in drie Israëlische banken hebben verontruste burgers contact gezocht met het fonds. Het antwoord dat zij van het ABP ontvingen werd op sociale media gepubliceerd. De belangrijkste passages daaruit:

We houden de staat Israël […] primair verantwoordelijk voor de schendingen van mensenrechten. Die zijn een gevolg van het Israëlische nederzettingenbeleid. De staat Israël is in die zin veroordeeld, maar de Israëlische banken in die zin niet.
[…]
Ons duurzaam en verantwoord beleggingsbeleid is om die reden gebaseerd op twee objectieve uitgangspunten, te weten internationale wet- en regelgeving en de uitgangspunten van de UN Global Compact. En daar houden we ons aan.

Het ABP zegt hiermee dat het de banken waarin wordt belegd niet afrekent op Israëls koloniseringspolitiek, maar op hun eigen activiteiten. Als criterium daarvoor hanteert het fonds het internationaal recht en de UN Global Compact, een van ‘s werelds leidende conventies op het gebied van verantwoord ondernemen.

Overvloedig bewijs

Dat zijn valide uitgangspunten, die echter – mits correct toegepast – leiden tot een tegengestelde conclusie dan die het ABP trekt. Er is namelijk geen sprake van dat Israëlische banken de ‘internationale wet- en regelgeving’ respecteren en voldoen aan de criteria van de Global Compact. Daarvoor bestaat overvloedig bewijs.

Zo documenteert het recente rapport Bankrolling Abuse van Human Rights Watch de betrokkenheid van Israëlische banken bij schendingen van het internationaal recht. Door op te treden als ‘begeleidende bank’ bij de (uit)bouw van illegale Israëlische kolonies (‘nederzettingen’), en door hypotheken te verstrekken aan Israëlische kolonisten, maken zij structureel inbreuk op wat het ABP ‘internationale wet- en regelgeving’ noemt.

Ook de suggestie van het ABP dat Israëlische banken zouden voldoen aan de criteria van de UN Global Compact is uit de lucht gegrepen. Op 5 juni publiceerden wij een artikel dat het tegendeel aantoont: de banken waarin het ABP belegt zijn betrokken bij schendingen van de mensenrechten, zoals gedefinieerd door diezelfde UN Global Compact.

Misleidende informatie

De suggestie dat het fonds zich aan de genoemde uitgangspunten houdt is dan ook misleidend. Sterker, het feit dat Israëlische banken het internationaal recht en de UN Global Compact schenden is zo evident dat de vraag rijst hoe het ABP het over het hoofd heeft kunnen zien bij de beoordeling van de betreffende beleggingen, zoals die in 2014 binnen het bestuur heeft plaatsgevonden.

Niet voor niets beëindigden pensioenorganisaties als PGGM en PFZW (Pensioenfonds Zorg en Welzijn) al op 1 januari 2014 hun beleggingen in vijf Israëlische banken – waaronder de banken Leumi, Hapoalim en Discount waarin het ABP nog steeds belegt. Ook buitenlandse pensioenfondsen zetten die stap. Dat gebeurde op grond van vergelijkbare uitgangspunten als die het ABP zegt te hanteren.

Opmerkelijk genoeg bleek in maart 2017 dat het ABP zijn beleggingen in een vierde Israëlische bank, Mizrahi Tefahot, wél heeft beëindigd. Dat gebeurde in stilte: de bank kwam niet voor op het overzicht van uitsluitingen (beëindigde beleggingen) en de reden voor de uitsluiting werd niet publiek gemaakt.

‘En daar houden we ons aan’

Wij schreven eerder dat het ABP bij correcte toepassing van de eigen criteria zijn beleggingen in de Israëlische banken al in 2014 zou hebben beëindigd. Dat dient nu alsnog te gebeuren. Beleggen in Israëlische banken, en daarmee in aangetoonde schendingen van de mensenrechten, kan op geen enkele wijze worden gerechtvaardigd.

Daarbij telt zwaar dat het ABP belegt met Nederlandse pensioengelden, die – op verplichte basis – bijeen zijn gebracht door miljoenen werknemers in het onderwijs en bij de overheid. Dat brengt voor het ABP de verplichting mee om op het terrein van de mensenrechten ver uit de gevarenzone te blijven.

Dit geldt des te meer daar het ABP zich die verplichting zelf oplegt. Onderstaand citaat vormt de introductie tot het hoofdstuk ‘Opkomen voor mensenrechten’ in ABP’s ‘Verslag Duurzaam en verantwoord beleggen 2016’ (pagina 32).

Bedrijven mogen niet medeplichtig zijn aan mensenrechtenschendingen. Dat is een van de afspraken die binnen het verband van de Verenigde Naties zijn gemaakt over verantwoord ondernemen en die aan de basis liggen van ons beleid.

‘En daar houden we ons aan’, stelt het ABP zelf. Het is de hoogste tijd om dat credo in de praktijk te brengen.

© 2007 - 2024 The Rights Forum / Privacy Policy